Wie ben je?

Vandaag zag ik je, in zwart-wit. Keek je naar je vader? Of was het je verloofde die teveel uren ronddoolt op de kunstacademie? Nee, dan hadden je ogen gestreeld, gelachen. Degene naar wie je keek, heeft jou bekeken. Heeft elk detail van jou in zich opgenomen. De schaduw onder je oog, het lichte moedervlekje op je wang.
Hoe lang heb je stil gezeten? Een uur? Een avond? Hebben jullie gepraat? Of heb je alleen je uiterlijk laten zien en hield je je hart verborgen?
‘Meisjes van dertien, er net tussen in… Te groot voor de poppen, te klein voor de liefde…’ Dat zong Paul van Vliet, maar jij had op de cover kunnen staan. Je gezicht is van een meisje, je ogen die van een vrouw. Wat heb je mee gemaakt dat je zo wijs de wereld in kijkt? Weet je wat pijn is? Hoe het voelt als je hart verschrompeld door het alleen zijn?
Maar je lacht. Geen grote schaterlach, toch ik zie hem. Koninklijk. Ingehouden schoonheid. Je hebt een parel in je hart, maar je geeft hem nog niet weg. Waar wacht je op?
Je bent vereeuwigd op het papier. Je zult nooit rimpels krijgen; al is je haar al grijs. Misschien ben je inmiddels al 80 jaar. Ik weet het niet. Ik zie alleen je ogen, wachtend op de wereld.
Heb je aan de muur gehangen? Ben je trots bekeken door je moeder? Wie heeft je in een lijst gezet?
Het maakt niet meer uit, want nu ben je een Mona Lisa, ronddolend over de aarde. Je kijkt me aan, maar ik weet niet wie je bent. Toch hang je daar. Niet in het Louvre, maar tussen vergeelde borduurwerken en goedkope reproducties. Maar jij bent echt, van jou is er maar één.

Vind je dat niet vies?

‘Ja, maar dan weet je waar het vandaan komt…’, zegt mevrouw Van Duren terwijl haar ogen speuren naar een vlek in mijn kleding. ‘Ik heb pas nog een stoel gekocht op Marktplaats, uit een rook- en huisdiervrij huis. Maar de kringloop?’ Ze schuift een beetje verder bij me vandaan. ‘Vind je dat niet vies?’

‘Als ik thuis kom, gooi ik alles in de wasmachine en daarna trek ik het gewoon aan. Ik heb nog nooit luizen in mijn haar of rode bulten op mijn huid gehad hoor.’
Ik zie haar mondhoeken verplicht opkrullen. ‘Oh, nou, dan heb je tot nu toe geluk gehad denk ik.’

Even later sta ik in de Prenatal een borstvoedings-bh te passen. Want dat koop ik dan nog net niet in de kringloop. Ik haak hem vast en wil het bandje over mijn schouder schuiven, tot mijn oog blijft plakken in een donkere melkvlek in het midden van de cup.